Thuis Pagina - Geschiedenis - Belangrijke bewoners - Foto's -


Betondorp, herinneringen aan de oorlog

Als Betondorper van het eerste uur (ik ben er in 1925 geboren en heb er tot 1950 gewoond) heb ik vele goede herinneringen aan mijn jeugd in dit tuindorp. Toch zijn mij de herinneringen aan de oorlogstijd het beste bijgebleven, vandaar een stukje historie 1940-1945 over dit deel van de Watergraafsmeer.

15 mei 1940: capitulatie. Mijn vader, die secretaris van de afdeling O (Betondorp) van de Federatie Amsterdam van de VARA was, schroefde nog diezelfde dag het  geëmailleerde bordje met de VARA-haan van de voordeur. De VARA had zich altijd fel anti-nazi opgesteld en zo’n bordje kon je maar beter laten verdwijnen. Een dag later werden de “troffeltjes” in de achtertuin begraven. Deze miniatuurtroffeltjes waren een beloning voor het inleveren van spaarbusjes voor het fonds voor de bouw van de VARA-studio in Hilversum. Zoals bekend is deze bouw voor een groot deel met stuivers en dubbeltjes van de leden gefinancierd.

Betondorp bleek betrekkelijk veilig onder de Duitse bezetting; in de scholen op het Zuivelplein lagen wel Duitse troepen, maar dat waren “gewone” soldaten, geen SS, SD of  Grüne Polizei dus. Zij lieten de Betondorpers met rust en deden soms zelfs een poging een gesprek aan te knopen. Helaas was deze betrekkelijke veiligheid niet van toepassing op de joodse Betondorpers; zij ontkwamen niet aan wegvoering, hoewel een aantal van hen in Betondorp zelf heeft kunnen onderduiken, met name in de Veeteeltstraat. Wel waren wij als jongeren van 16 jaar of ouder voorbereid op vluchten of onderduiken om razzia’s voor tewerkstelling in Duitsland te kunnen ontlopen.

Ook Betondorp kende “foute” inwoners: een WA-man en een SS-er uit de Weidestraat, een landwacht uit de Akkerstraat, een meisje van het Onderlangs dat lid was van de Jeugdstorm een meisje uit de Veeteeltstraat dat verkering had met een Duitse militair en een aantal met naam bekende winkeliers.

De hongerwinter ‘44/’45 ging evenmin aan Betondorp voorbij. Weliswaar woonden we  niet ver van het landelijk gebied, maar vrijwel alle boerderijen waren veebedrijven. Melk en heel af en toe vlees van clandestien slachten waren nog wel te bemachtigen, maar voor tarwe moest je toch op de fiets Noord-Holland in, vaak wel tot in de Wieringermeerpolder. En dan had je nog altijd de IJ-pont, waar Nederlandse landwachten je buit konden inpikken en dat nog vaak deden ook. Het totale gebrek aan brandstoffen was ook voor Betondorpers aanleiding tot grootscheepse zaagactiviteiten. Ik herinner me dat in het plantsoen aan het Onderlangs om klokslag vier uur in de morgen (einde spertijd) in het stikdonker het gezaag in het hele plantsoen hoorbaar was. Hout voor de kachel!  Nog een paar herinneringen in dit kader: kolen zoeken op het rangeer- terrein van de NS bij het viaduct over de Kruislaan; vanaf vier uur ’s morgens in de rij staan bij de Vana of bij Quatfass, de groenteman, om beurten  met je moeder, om op je distributie- bonnen een minieme hoeveelheid levensmiddelen te bemachtigen vóór alles al weer uitver- kocht was; het verstrekken van warme maaltijden in een van de scholen op het Zuivelplein, inmiddels verlaten door de Duitsers. Hoe dit allemaal geregeld werd wisten wij niet, maar vele jaren later hoorde ik dat er een commissie actief was onder leiding van de tijdelijke burgemeester van Betondorp, dokter Wagenaar, die het voedsel per schip uit Friesland liet komen. Met de Duitse autoriteiten was overeengekomen dat dit transport ongemoeid werd gelaten.

In het Ajax-stadion waren (met tussenpozen) Duitse troepen gelegerd, waaronder een detachement bij de Duitsers dienende Wit-Russen. Als jongeren hadden wij een vaste plek van samenkomst (nu zou je dat hangplek noemen) op de hoek van de Brinkstraat en de Middenweg bij de ijssalon. Ik kan me herinneren dat niet lang voor het eind van de oorlog een aantal van deze Russen naar ons toekwam en informeerde naar onderduikmogelijkheden; kennelijk hadden ze spijt van hun beslissing destijds en vreesden ze de dreigende gevolgen. We zijn er niet op ingegaan.

Tegen het einde van de oorlog, wachtend op de komst van de Canadezen, had ik een gesprek met een Duitse soldaat die op wacht stond bij de anti-tank-muur bij de Hartveldsebrug.  Hij erkende de Duitse nederlaag, maar kon niet nalaten te zeggen: “Wir sehen uns in Russland wieder!”. Hij kon toen niet weten hoe dicht hij een paar jaar later bij de waarheid zat, op het hoogtepunt van de koude oorlog!

Vlak na de bevrijding: eten bij de Canadezen die op “het platje”  waren neergestreken om hun warme maaltijd te bereiden. Zo noemden wij het braakliggend stuk grond aan de  Weesperzijde bij de Duivendrechtse brug. Dat ging zo: kuiltje graven, benzine erin gooien, aansteken, blikje in het vuur (meestal meat and vegetables, ik heb dit soort voedsel later nooit meer teruggezien), openmaken en eten maar. Verrukkelijk!  De kleinere kinderen wisten ook hun weg naar het platje te vinden: chocolate and candy!

Tenslotte: onvergetelijk en nog steeds emoties oproepend: het klimmen op een Canadese halftrack van de Seaforth Highlanders bij de Hartveldsebrug en via de Duivendrechtsebrug en de Berlagebrug door de Rivierenbuurt naar het Vondelpark, door een kolkende massa bevrijde Amsterdammers. De oorlog was voorbij!

Joop van Daatselaar
Amstelveen