Pierre Kemp,
1886-1967




Biografie/Biography


In 1959 stond Pierre Kemp aan het maartnummer van De Gids  een achttal gedichten af, waarvan het zesde aanving met de woorden als volgt:

Waar vroeger grootvader nam grootmoeder staat nu een tankwagen van de P.A.M. !

Enig ander gegeven over zijn grootouders heeft Kemp nimmer uitgeleverd. Ofschoon hij in het vriendschappelijke gesprek weinig terughoudendheid aan de dag legde en doorgaans gretig inging op elke aan hem gestelde vraag, liet hij toch op een opvallende manier verstek gaan zodra de vraagstelling zijn ouders, grootouders, neven en nichten betrof. In dit geval ontweek hij zelfs een antwoord op de zich onmiddellijk aandienende vraag naar de lokalisering van de betreffende tankwagen.

Over Kemps ouders, weten wij intussen iets meer. Zijn vader was een gespecialiseerd molenkapper was, die de maalstenen van de Maastrichtse meelmolens prepareerde en onderhield. Later werd de vader drukker en decorateur in de keramische industrie.

Pierre Kemp werd in Maastricht geboren. Na het verlaten van de lagere school, wachtte hem de allesbehalve gemakkelijke loopbaan van plateelschilder op de Société Ceramique. De afstand tussen de directie van die fabriek en haar werknemers was oneindig groot en de incidentele contacten voltrokken zich in een sfeer van neerbuigendheid.

In 1905 liet Kemp zich inschrijven als leerling van de avondklas van het Stadstekeninstituut in Maastricht. Hier vestigden medeleelingen zijn aandacht op Gezelles' werk.

In 1910 publiceerde hij in de rubriek "Verzen van Limburgers" in het dagblad De Limburger Koerier zijn eerste werk. In 1911 en 1912 kreeg Kemp nogmaals de gelegenheid om respectievelijk eenentwintig en achttien gedichten in De Limburger Koerier te publiceren.

In 1913 werd hi in staat werd gesteld om voorgoed de keramische industrie te verlaten, dankzij het werk van de Jezuïetenpater Jos.van Well (1866-1943).

In 1914 zag te Heerlen de bundel 'Aan den zanger van Het wondere lied' het licht . Het kon bogen op een oplage van 900 exemplaren, die binnen een jaar geheel was uitverkocht, vooral door het werk van Van Well.

In maart 1915 vertrok Kemp voor korte tijd naar Amsterdam, waar Van Well er voor gezorgd had dat hij een journalistieke carrière kon beginnen bij het katholieke dagblad De Tijd. In Amsterdam kwam Kemp in kontakt met het literaire en musicale leven in de hoofdstad waardoor hem de toegang ontsloten werd tot de muziek van de Franse impressionistische componisten: Fauré, Ravel, Debussy, Duparc en Roussel. In december 1915 kwam er aan de Amsterdamse periode echter een voortijdig einde. Overmand door heimwee naar Maastricht, zei Kemp Amsterdam en de journalistiek voorgoed vaarwel.

Sinds 1917 werkte hij onder de schuilnamen J.Umbo en X.Y.Z. mee aan een periodiek dat De Roskam heette, terwijl hij in Het Zuiden allerlei sagen en volksverhalen navertelde, die hij in 1925 zou bundelen in het Limburgs sagenboek.

Op 11 januari 1918 trad Kemp in het huwelijk met Hubertina Catharina Mommers.

Tussen 1918 en 1929, het jaar van Kemps tweede debuut, publiceerde Kemp in een groot aantal literaire en andere tijdschriften. Uit al deze bijdragen stelde de dichter tussen 1925 en 1929 niet minder dan drie bundels samen, te weten Tirara Parau en andere gedichten, een bundel die voorzien werd van een aan de Apocalypsis Beati Joannis Apostoli I, 12 ontleende titel En ik wendde mij om om de stem te zien die tot mij sprak, en tenslotte een bundel Recitatieven. Geen van deze bundels kreeg Kemp uitgegeven.

In maart 1921 was Kemp toegetreden tot de Algemeene R.K. Kunstenaarsvereeniging. Dit lidmaatschap bracht voor de, in die jaren vaak op het pijnlijke af, scrupuleuze man met zich mee dat hij in een voortdurende beduchtheid leefde van toch vooral niets te schrijven dat mogelijkerwijs zou kunnen indruisen tegen de onaantastbare en niet de geringste afwijking gedogende normen waaraan de bestuurders van deze artistenclub, althans in de opvatting van Kemp, ongetwijfeld dag en nacht bezig waren zich te conformeren. Opvallend is in elk geval dat zijn tweede debuut vrijwel samenviel met de opzegging van zijn lidmaatschap. De heren bestuurderen kregen te vernemen dat het voor alle kunst, de Rooms-Katholieke niet uitgezonderd, wenselijk is dat de kunstenaar zijn eigen autonomie bewaart en niet met behulp van een collectiviteit, en in afhankelijkheid daarvan, omziet naar een goede pers, beloningen in geld of eretekens.

Kemp zelf laat het tweede debuut nadrukkelijk beginnen met het gedicht 'Verbascum', dat in 1929 in De Gemeenschap verscheen. Kemp kreeg van dat moment aan tot 1942 toe in De Gemeenschap de mogelijkheid om met grote regelmaat zijn 'kleengedichten' openbaar te maken, al werd er ook heel wat ingezonden poëzie geretourneerd, doorgaans niet omdat 't Kemps gedichten zou schorten aan kwaliteit, maar omdat de redactie moeilijkheden voorzag, hetzij bij de lezers, hetzij bij de censor.

Toen Kemp in april 1934 voor de eerste maal vierentachtig van deze fascinerende gedichten bundelde onder de titel Stabielen en passanten, ditmaal in een bescheiden oplage van 125 exemplaren, was de bijval niet gering, maar het grote publiek werd bij lange na niet bereikt. In 1938 volgde andermaal een bundeling met de titel, Fugitieven en constanten.

De opgetogen bespreking door Ed.Hoornik, die in januari 1939 in Groot Nederland verscheen, bracht Kemp er vanzelf toe ook dat tijdschrift met zijn bijdragen te bedenken.

In de vijftiger jaren werd er in het Noord- en Zuidnederlandse taalgebied tenslotte nauwelijks nog een letterkundig maandblad aangetroffen dat zonder gedichten van Kemp was.

Eerst in 1940, met de publicatie van de bundel Transitieven en immobielen, ditmaal in de befaamd geworden Helikonereeks van A.A.M.Stols, kon Kemp een groter publiek bereiken. Hij dankte dit, ook volgens zijn eigen opvatting, toch wel in eerste instantie aan Simon Vestdijk, die in 1938 Kemp in een brief complimenteerde met diens Fugitieven en constanten, en die in de NRC van 18 oktober 1940, onder de titel 'Spel en mystiek' verscheen.

Het hoogtepunt in Kemps na-oorlogse productie was wel de bundel Engelse verfdoos, verschenen bij gelegenheid van Kemps zeventigste verjaardag op 1 december 1956. Twee jaar eerder was aan de dichter de eerste 'officiële' erkenning ten deel gevallen in de vorm van de poëzieprijs van de Gemeente Amsterdam. In november 1956 kende de Jan Campertstichting hem de Constantijn Huygensprijs toe voor zijn gehele oeuvre. Terzelfdertijd werd Kemp Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

In 1959 achtte Kemp, blijkens de titel van zijn toen verschenen bundel, de tijd aangebroken voor zijn Emeritaat. In Emeritaat viel duidelijk op dat Kemps jarental zich op gevoelige wijze liet gelden en dat de dichter allengs zijn handen vol begon te krijgen aan het relativeren door zelfironie.

Onder deze omstandigheden kreeg de toekenning, in mei 1959, van de Staatsprijs voor Letterkunde, de P.C.Hooftprijs, haast iets onwezenlijks, hoe ingenomen Kemp er ook mee was. De Gemeente Maastricht begreep dat zij er nu echt niet nog langer onderuit kon en nam dan ook op 19 september haar grote zoon goedgunstig op in de rij van houders der stedelijke eremedaille. In november volgde de Culturele Prijs van de Provincie Limburg.

Met instemming volgde Kemp intussen de verrichtingen van de opgerichte Pierre-Kemp-Stichting, die de bibliofiele uitgave van een zestal bundels realiseerde en in samenwerking met het Nederlands Letterkundig Museum.

Kemp dichtte intussen onverdroten voort, zij het steed veelvuldiger en zorgwekkender gekweld door zijn afnemend gezichtsvermogen en door een aaneenschakeling van kwalen en kwaaltjes.

In februari 1967 moest Kemp worden opgenomen in het ziekenhuis waar hij op zijn langdurig maar gelukkig nagenoeg pijnloos ziekbed nog van Ridder tot Officier in de Orde van Oranje Nassau bevorderd werd. Hij overleed hij op vrijdag 21 juli 1967.

Mijn Dood, zijt gij een zwart persoon?
Zult gij mij vinden bij mijn boeken,
als ik nog steeds de zin van de toon
en de kleur van het leven zit te zoeken?

Mijn Dood, soms denk ik, hoe ziet gij uit,
en wordt mij de dag met de nacht geruit,
eer ik doorsta de korte schrik
van overgang in een veranderd ik?

Wat er ook komt, of ik in het klein
zal schouwen God, of in het groot,
Mijn Dood, zult gij niet eenvoudig zijn,
als mijn lichaam mijn ziel straks uit zich stoot?

Uittreksel van een biography door H.G.M.Prick

In 1959 Pierre Kemp gave eight poems to the literary journal De Gids. Number six started with the following lines:


Where in the past grandpa, grandma took
is now the parking spot of a tanker truck!

Kemp has never given any other information about his grandparents. Although he was not very reserved in friendly conversation and usually enthusiastically replied to questions, he would not engage in any discussion about his parents, grandparents, nieces and nephews. In this specific case he even avoided the question about the exact location of the truck.



However some things are known about his parents. His father was a specialist in the roofing of windmills and also maintained the grinding stones of the various mills in the town of Maastricht. Later, his father became a printer and decorator in the ceramic industry.

Pierre Kemp, was born in Maastricht. After leaving the elementary school an anything but easy job waited for him as painter at the Société Ceramique. The distance between management and employees was enormous and the incidental contacts took place in an atmosphere of condescension.


In 1905, Kemp registered for the evening classes of the Maastricht Municipal Institute of Drawing, where fellow students drew his attention to the work of Guido Gezelles.


In 1910 he published his first work in the column "Verzen van Limburgers" (Limburg Poems) of the daily the De Limburger Koerier . In 1911 and 1912 heagain had the opportunity the publish, first twenty-one, and then eighteen poems in De Limburger Koerier.

In 1913 he was able to leave the ceramic industry forever because of the help of the Jesuit Father Jos.van Well (1866-1943).


In 1914 the anthology 'Aan den zanger van Het wondere lied' (To the performer of The Wondrous Song) was published in Heerlen. It had a print of 900 copies which was completely sold out within a year, mainly because of the efforts of Van Well.

In March of 1915, Kemp went for a short time to Amsterdam, where Van Well had arranged the start of a career as a journalist with the Catholic daily De Tijd. In Amsterdam, Kemp came in contact with the literary and musical life of the capital and it opened him to the music of the French impressionists: Fauré, Ravel, Debussy, Duparc en Roussel. In December 1915 the Amsterdam period came to an untimely end because Kemp was too homesick for Maastricht and he said goodbye to journalism forever.



Since 1917 he worked under the pen names of J. Umbo and X.Y.Z. and collaborated in a magazine called De Roskam. He also collected all kinds of sagas and folk tales, which he put together in 1925 in the Limburg Saga Book.

On January 11th, 1918 he married Hubertina Catharina Mommers.


Between 1918 and 1929, the year of Kemp's second debut, Kemp wrote for a large number of literary and art magazines. From all these publication he put together no less than three anthologies: (1) Tirara Parau en andere gedichten, (Tirara Parau and other poems), (2) an anthology which got a title based on the Apocalypse Beati Joannis Apostoli I, 12: And I turned to see the voice that spake to me, and (3) an anthology Recitatives. Kemp was unable to get any of these published.


In March 1921 Kemp had become a member of the Algemeene R.K. Kunstenaarsvereeniging (The General Roman Catholic Artists Association). This membership created for the in those years overly scrupulous man a constant fear not to write anything that could be interpreted as being in any way against the unassailable norms upheld by the executive of this artists association. In the opinion of Kemp the executive was busy, day and night, making sure they conformed. It is telling that Kemp's second debut coincided with the cancellation of his membership. The gentlemen of the executive were let known that it is desirable for all art, including Roman Catholic art, that the artist maintains his autonomy, and can look forward to remuneration in money or honour, not with the help of a collective, but in independence thereof.




Kemp himself dates this second debut with the publication of the poem 'Verbascum' in the magazine De Gemeenschap. Kemp was from that moment on, till 1942, able to publish regularly his "kleengedichten" in De Gemeenschap. Quite a few of the submitted poems, however, were returned, usually not because of quality, but because the editors expected problems, from readers or from Roman Catholic censorship.

 



In 1934 Kemp published for the first time eighty-four of these fascinating poems under the title of Stabielen en passanten (freely translated as Stable Ones and Passing Ones). The print was a modest 125 copies. Although there was considerable appreciation, it dit not reach the general public. In 1938 it was followed by another anthology with the title Fugitieven en constanten (Fugitives and Constants)

An highly favourable review by Ed. Hoornik in Groot Nederland in 1938 gave Kemp the impetus to submit work to that magazine as well.

During the fifties there was hardly a literary magazine in the Dutch speaking area of the Low Countries that was without poems by Kemp.

Only in 1940 did Kemp reach a larger audience with the publication of the anthology Transitieven en immobielen (Transitives and Immobiles) in the famous Helikon Series of publisher A.A.M. Stols. He could thank, according to himself, in the first place the author Simon Vestdijk, who in 1938 had complimented Kemp with his Fugitieven en constanten in an open letter which was published in the NRC (an important Dutch newspaper) on October 18th, 1940 under the title 'Spel en mystiek' (Play and Mysticism).

The highlight of Kemp's post-war work was the anthology Engelse verfdoos (English Paint Box) which was published at the occasion of Kemp's seventieth birthday on December 1st, 1956. Two years earlier, the poems had received the first "official" recognition when he received the poetry prize of the City of Amsterdam. In November 1956 he received the Constantijn Huygens prize from the Jan Camperts Foundation for his entire work. At the same time Kemp became a Knight in the Order of Oranje Nassau.

In 1959 Kemp thought, judging by the title of his newest anthology, Emiraat (Emeritus), that the time had come for his retirement. Emiraat showed clearly that Kemp's age was manifesting itself forcefully and that the poet had his hands full trying to offset his condition through self irony.

Under these circumstances the awarding in May 1959 of the P.C. Hooft Prize (the National Prize for Literature) was somewhat unreal, even though Kemp was quite pleased. The City of Maastricht now understood that it could no longer ignore him and on September 19th accepted its important citizen among the ranks of holders of the city's Medal of Honour. In November followed the Cultural Prize of the Province of Limburg.

Kemp followed with satisfaction the efforts of the newly founded Pierre Kemp Foundation which , in co-operation with the Nederlands Letterkundig Museum (Dutch Museum of Literature), published a special edition of six anthologies.

Kemp, in the mean time, continued writing, be it that he was curtailed more and more by his diminishing eyesight and a series of illnesses and lesser ailments.


In February 1967 Kemp had to go to the hospital. During the time of his lengthy but luckily almost painless illness he was promoted from Knight to Officer in the Order of Oranje Nassau. He died on Friday, July 21st, 1967.

My Death, are you a black person?
Will you find me in my books,
when I am still searching for the tone
and the colour of this life?

My Death, sometimes I think, how do you look,
and when my day is exchanged for night
will I withstand the short fright
from passing into a changed me?

Whatever may come, however I may view God. plain or in grandeur,
My Death, please make it simple,
when my body will cast off my soul.
 

Synopsis of a biography by H.G.M. Prick

© Translations by Peter Lowensteyn