|
In 1959 stond Pierre Kemp aan het
maartnummer van De Gids
een achttal gedichten af,
waarvan het zesde aanving met de
woorden als volgt:
Waar vroeger grootvader nam
grootmoeder staat nu een tankwagen van
de P.A.M. !
Enig ander gegeven over zijn
grootouders heeft Kemp nimmer
uitgeleverd. Ofschoon hij in het
vriendschappelijke gesprek weinig
terughoudendheid aan de dag legde en
doorgaans gretig inging op elke aan
hem gestelde vraag, liet hij toch op
een opvallende manier verstek gaan
zodra de vraagstelling zijn ouders,
grootouders, neven en nichten betrof.
In dit geval ontweek hij zelfs een
antwoord op de zich onmiddellijk
aandienende vraag naar de lokalisering
van de betreffende tankwagen.
Over Kemps ouders, weten wij intussen
iets meer. Zijn vader was een
gespecialiseerd molenkapper was, die
de maalstenen van de Maastrichtse
meelmolens prepareerde en onderhield.
Later werd de vader drukker en
decorateur in de keramische industrie.
Pierre Kemp werd in Maastricht
geboren. Na het verlaten van de lagere
school, wachtte hem de allesbehalve
gemakkelijke loopbaan van
plateelschilder op de Société
Ceramique. De afstand tussen de
directie van die fabriek en haar
werknemers was oneindig groot en de
incidentele contacten voltrokken zich
in een sfeer van neerbuigendheid.
In 1905 liet Kemp zich inschrijven
als leerling van de avondklas van het
Stadstekeninstituut in Maastricht.
Hier vestigden medeleelingen zijn
aandacht op Gezelles' werk.
In 1910 publiceerde hij in de rubriek
"Verzen van Limburgers" in het dagblad
De Limburger Koerier zijn
eerste werk. In 1911 en 1912 kreeg
Kemp nogmaals de gelegenheid om
respectievelijk eenentwintig en
achttien gedichten in De Limburger
Koerier te publiceren.
In 1913 werd hi in staat werd gesteld
om voorgoed de keramische industrie te
verlaten, dankzij het werk van de
Jezuïetenpater Jos.van Well
(1866-1943).
In 1914 zag te Heerlen de bundel 'Aan
den zanger van Het wondere lied' het
licht . Het kon bogen op een oplage
van 900 exemplaren, die binnen een
jaar geheel was uitverkocht, vooral
door het werk van Van Well.
In maart 1915 vertrok Kemp voor korte
tijd naar Amsterdam, waar Van Well er
voor gezorgd had dat hij een
journalistieke carrière kon beginnen
bij het katholieke dagblad De Tijd. In
Amsterdam kwam Kemp in kontakt met het
literaire en musicale leven in de
hoofdstad waardoor hem de toegang
ontsloten werd tot de muziek van de
Franse impressionistische componisten:
Fauré, Ravel, Debussy, Duparc en
Roussel. In december 1915 kwam er aan
de Amsterdamse periode echter een
voortijdig einde. Overmand door
heimwee naar Maastricht, zei Kemp
Amsterdam en de journalistiek voorgoed
vaarwel.
Sinds 1917 werkte hij onder de
schuilnamen J.Umbo en X.Y.Z. mee aan
een periodiek dat De Roskam heette,
terwijl hij in Het Zuiden
allerlei sagen en volksverhalen
navertelde, die hij in 1925 zou
bundelen in het Limburgs sagenboek.
Op 11 januari 1918 trad Kemp in het
huwelijk met Hubertina Catharina
Mommers.
Tussen 1918 en 1929, het jaar van
Kemps tweede debuut, publiceerde Kemp
in een groot aantal literaire en
andere tijdschriften. Uit al deze
bijdragen stelde de dichter tussen
1925 en 1929 niet minder dan drie
bundels samen, te weten Tirara
Parau en andere gedichten, een
bundel die voorzien werd van een aan
de Apocalypsis Beati Joannis Apostoli
I, 12 ontleende titel En ik wendde
mij om om de stem te zien die tot
mij sprak, en tenslotte een
bundel Recitatieven. Geen van deze
bundels kreeg Kemp uitgegeven.
In maart 1921 was Kemp toegetreden
tot de Algemeene R.K.
Kunstenaarsvereeniging. Dit
lidmaatschap bracht voor de, in die
jaren vaak op het pijnlijke af,
scrupuleuze man met zich mee dat hij
in een voortdurende beduchtheid leefde
van toch vooral niets te schrijven dat
mogelijkerwijs zou kunnen indruisen
tegen de onaantastbare en niet de
geringste afwijking gedogende normen
waaraan de bestuurders van deze
artistenclub, althans in de opvatting
van Kemp, ongetwijfeld dag en nacht
bezig waren zich te conformeren.
Opvallend is in elk geval dat zijn
tweede debuut vrijwel samenviel met de
opzegging van zijn lidmaatschap. De
heren bestuurderen kregen te vernemen
dat het voor alle kunst, de
Rooms-Katholieke niet uitgezonderd,
wenselijk is dat de kunstenaar zijn
eigen autonomie bewaart en niet met
behulp van een collectiviteit, en in
afhankelijkheid daarvan, omziet naar
een goede pers, beloningen in geld of
eretekens.
Kemp zelf laat het tweede debuut
nadrukkelijk beginnen met het gedicht
'Verbascum', dat in 1929 in De
Gemeenschap verscheen. Kemp
kreeg van dat moment aan tot 1942 toe
in De Gemeenschap de mogelijkheid om
met grote regelmaat zijn
'kleengedichten' openbaar te maken, al
werd er ook heel wat ingezonden poëzie
geretourneerd, doorgaans niet omdat 't
Kemps gedichten zou schorten aan
kwaliteit, maar omdat de redactie
moeilijkheden voorzag, hetzij bij de
lezers, hetzij bij de censor.
Toen Kemp in april 1934 voor de
eerste maal vierentachtig van deze
fascinerende gedichten bundelde onder
de titel Stabielen en passanten,
ditmaal in een bescheiden oplage van
125 exemplaren, was de bijval niet
gering, maar het grote publiek werd
bij lange na niet bereikt. In 1938
volgde andermaal een bundeling met de
titel, Fugitieven en constanten.
De opgetogen bespreking door
Ed.Hoornik, die in januari 1939 in
Groot Nederland verscheen, bracht Kemp
er vanzelf toe ook dat tijdschrift met
zijn bijdragen te bedenken.
In de vijftiger jaren werd er in het
Noord- en Zuidnederlandse taalgebied
tenslotte nauwelijks nog een
letterkundig maandblad aangetroffen
dat zonder gedichten van Kemp was.
Eerst in 1940, met de publicatie van
de bundel Transitieven en
immobielen, ditmaal in de
befaamd geworden Helikonereeks van
A.A.M.Stols, kon Kemp een groter
publiek bereiken. Hij dankte dit, ook
volgens zijn eigen opvatting, toch wel
in eerste instantie aan Simon
Vestdijk, die in 1938 Kemp in een
brief complimenteerde met diens Fugitieven
en constanten, en die in de NRC
van 18 oktober 1940, onder de titel
'Spel en mystiek' verscheen.
Het hoogtepunt in Kemps na-oorlogse
productie was wel de bundel Engelse
verfdoos, verschenen bij
gelegenheid van Kemps zeventigste
verjaardag op 1 december 1956. Twee
jaar eerder was aan de dichter de
eerste 'officiële' erkenning ten deel
gevallen in de vorm van de poëzieprijs
van de Gemeente Amsterdam. In november
1956 kende de Jan Campertstichting hem
de Constantijn Huygensprijs toe voor
zijn gehele oeuvre. Terzelfdertijd
werd Kemp Ridder in de Orde van Oranje
Nassau.
In 1959 achtte Kemp, blijkens de
titel van zijn toen verschenen bundel,
de tijd aangebroken voor zijn
Emeritaat. In Emeritaat viel duidelijk
op dat Kemps jarental zich op
gevoelige wijze liet gelden en dat de
dichter allengs zijn handen vol begon
te krijgen aan het relativeren door
zelfironie.
Onder deze omstandigheden kreeg de
toekenning, in mei 1959, van de
Staatsprijs voor Letterkunde, de
P.C.Hooftprijs, haast iets
onwezenlijks, hoe ingenomen Kemp er
ook mee was. De Gemeente Maastricht
begreep dat zij er nu echt niet nog
langer onderuit kon en nam dan ook op
19 september haar grote zoon
goedgunstig op in de rij van houders
der stedelijke eremedaille. In
november volgde de Culturele Prijs van
de Provincie Limburg.
Met instemming volgde Kemp intussen
de verrichtingen van de opgerichte
Pierre-Kemp-Stichting, die de
bibliofiele uitgave van een zestal
bundels realiseerde en in samenwerking
met het Nederlands Letterkundig
Museum.
Kemp dichtte intussen onverdroten
voort, zij het steed veelvuldiger en
zorgwekkender gekweld door zijn
afnemend gezichtsvermogen en door een
aaneenschakeling van kwalen en
kwaaltjes.
In februari 1967 moest Kemp worden
opgenomen in het ziekenhuis waar hij
op zijn langdurig maar gelukkig
nagenoeg pijnloos ziekbed nog van
Ridder tot Officier in de Orde van
Oranje Nassau bevorderd werd. Hij
overleed hij op vrijdag 21 juli 1967.
Mijn Dood, zijt gij een zwart
persoon?
Zult gij mij vinden bij mijn boeken,
als ik nog steeds de zin van de toon
en de kleur van het leven zit te
zoeken?
Mijn Dood, soms denk ik, hoe ziet gij
uit,
en wordt mij de dag met de nacht
geruit,
eer ik doorsta de korte schrik
van overgang in een veranderd ik?
Wat er ook komt, of ik in het klein
zal schouwen God, of in het groot,
Mijn Dood, zult gij niet eenvoudig
zijn,
als mijn lichaam mijn ziel straks uit
zich stoot?
Uittreksel van een biography door
H.G.M.Prick
|
In 1959 Pierre Kemp gave eight poems
to the literary journal De Gids.
Number six started with the following
lines:
Where in the past grandpa, grandma
took
is now the parking spot of a
tanker truck!
Kemp has never given any other
information about his grandparents.
Although he was not very reserved in
friendly conversation and usually
enthusiastically replied to questions,
he would not engage in any discussion
about his parents, grandparents,
nieces and nephews. In this specific
case he even avoided the question
about the exact location of the truck.
However some things are known about
his parents. His father was a
specialist in the roofing of windmills
and also maintained the grinding
stones of the various mills in the
town of Maastricht. Later, his father
became a printer and decorator in the
ceramic industry.
Pierre Kemp, was born in Maastricht.
After leaving the elementary school an
anything but easy job waited for him
as painter at the Société Ceramique.
The distance between management and
employees was enormous and the
incidental contacts took place in an
atmosphere of condescension.
In 1905, Kemp registered for the
evening classes of the Maastricht
Municipal Institute of Drawing, where
fellow students drew his attention to
the work of Guido Gezelles.
In 1910 he published his first work
in the column "Verzen van Limburgers"
(Limburg Poems) of the daily the De
Limburger Koerier . In 1911 and
1912 heagain had the opportunity the
publish, first twenty-one, and then
eighteen poems in De Limburger
Koerier.
In 1913 he was able to leave the
ceramic industry forever because of
the help of the Jesuit Father Jos.van
Well (1866-1943).
In 1914 the anthology 'Aan den zanger
van Het wondere lied' (To the
performer of The Wondrous Song)
was published in Heerlen. It had a
print of 900 copies which was
completely sold out within a year,
mainly because of the efforts of Van
Well.
In March of 1915, Kemp went for a
short time to Amsterdam, where Van
Well had arranged the start of a
career as a journalist with the
Catholic daily De Tijd. In
Amsterdam, Kemp came in contact with
the literary and musical life of the
capital and it opened him to the music
of the French impressionists: Fauré,
Ravel, Debussy, Duparc en Roussel. In
December 1915 the Amsterdam period
came to an untimely end because Kemp
was too homesick for Maastricht and he
said goodbye to journalism forever.
Since 1917 he worked under the pen
names of J. Umbo and X.Y.Z. and
collaborated in a magazine called De
Roskam. He also collected all
kinds of sagas and folk tales, which
he put together in 1925 in the Limburg
Saga Book.
On January 11th, 1918 he married
Hubertina Catharina Mommers.
Between 1918 and 1929, the year of
Kemp's second debut, Kemp wrote for a
large number of literary and art
magazines. From all these publication
he put together no less than three
anthologies: (1) Tirara Parau en
andere gedichten, (Tirara
Parau and other poems), (2) an
anthology which got a title based on
the Apocalypse Beati Joannis Apostoli
I, 12: And I turned to see the
voice that spake to me, and (3)
an anthology Recitatives. Kemp
was unable to get any of these
published.
In March 1921 Kemp had become a member
of the Algemeene R.K.
Kunstenaarsvereeniging (The General
Roman Catholic Artists Association).
This membership created for the in
those years overly scrupulous man a
constant fear not to write anything
that could be interpreted as being in
any way against the unassailable norms
upheld by the executive of this
artists association. In the opinion of
Kemp the executive was busy, day and
night, making sure they conformed. It
is telling that Kemp's second debut
coincided with the cancellation of his
membership. The gentlemen of the
executive were let known that it is
desirable for all art, including Roman
Catholic art, that the artist
maintains his autonomy, and can look
forward to remuneration in money or
honour, not with the help of a
collective, but in independence
thereof.
Kemp himself dates this second debut
with the publication of the poem
'Verbascum' in the magazine De
Gemeenschap. Kemp was from that
moment on, till 1942, able to publish
regularly his "kleengedichten" in De
Gemeenschap. Quite a few of the
submitted poems, however, were
returned, usually not because of
quality, but because the editors
expected problems, from readers or
from Roman Catholic censorship.
In 1934 Kemp published for the first
time eighty-four of these fascinating
poems under the title of Stabielen
en passanten (freely translated
as Stable Ones and Passing Ones). The
print was a modest 125 copies.
Although there was considerable
appreciation, it dit not reach the
general public. In 1938 it was
followed by another anthology with the
title Fugitieven en constanten
(Fugitives and Constants)
An highly favourable review by Ed.
Hoornik in Groot Nederland in
1938 gave Kemp the impetus to submit
work to that magazine as well.
During the fifties there was hardly a
literary magazine in the Dutch
speaking area of the Low Countries
that was without poems by Kemp.
Only in 1940 did Kemp reach a larger
audience with the publication of the
anthology Transitieven en
immobielen (Transitives and
Immobiles) in the famous Helikon
Series of publisher A.A.M. Stols. He
could thank, according to himself, in
the first place the author Simon
Vestdijk, who in 1938 had complimented
Kemp with his Fugitieven en
constanten in an open letter
which was published in the NRC (an
important Dutch newspaper) on October
18th, 1940 under the title 'Spel en
mystiek' (Play and Mysticism).
The highlight of Kemp's post-war work
was the anthology Engelse verfdoos
(English Paint Box) which was
published at the occasion of Kemp's
seventieth birthday on December 1st,
1956. Two years earlier, the poems had
received the first "official"
recognition when he received the
poetry prize of the City of Amsterdam.
In November 1956 he received the
Constantijn Huygens prize from the Jan
Camperts Foundation for his entire
work. At the same time Kemp became a
Knight in the Order of Oranje Nassau.
In 1959 Kemp thought, judging by the
title of his newest anthology, Emiraat
(Emeritus), that the time had
come for his retirement. Emiraat showed
clearly that Kemp's age was
manifesting itself forcefully and that
the poet had his hands full trying to
offset his condition through self
irony.
Under these circumstances the
awarding in May 1959 of the P.C. Hooft
Prize (the National Prize for
Literature) was somewhat unreal, even
though Kemp was quite pleased. The
City of Maastricht now understood that
it could no longer ignore him and on
September 19th accepted its important
citizen among the ranks of holders of
the city's Medal of Honour. In
November followed the Cultural Prize
of the Province of Limburg.
Kemp followed with satisfaction the
efforts of the newly founded Pierre
Kemp Foundation which , in
co-operation with the Nederlands
Letterkundig Museum (Dutch Museum of
Literature), published a special
edition of six anthologies.
Kemp, in the mean time, continued
writing, be it that he was curtailed
more and more by his diminishing
eyesight and a series of illnesses and
lesser ailments.
In February 1967 Kemp had to go to
the hospital. During the time of his
lengthy but luckily almost painless
illness he was promoted from Knight to
Officer in the Order of Oranje Nassau.
He died on Friday, July 21st, 1967.
My Death, are you a black person?
Will you find me in my books,
when I am still searching for the tone
and the colour of this life?
My Death, sometimes I think, how do
you look,
and when my day is exchanged for night
will I withstand the short fright
from passing into a changed me?
Whatever may come, however I may view
God. plain or in grandeur,
My Death, please make it simple,
when my body will cast off my soul.
Synopsis of a biography by H.G.M.
Prick
© Translations by Peter Lowensteyn
|